3. Recht op bijstand burgers uit andere EU-landen

De afgelopen jaren is de Europese Unie (EU) die van oorsprong uit 15 West-Europese landen bestond qua aantal deelnemende landen bijna verdubbeld.

Uitbreiding 01 mei 2004:
Op 01 mei 2004 zijn 10 nieuwe landen tot de EU toegetreden t.w.: Slovenië, Hongarije, Tsjechië, Estland, Letland, Slowakije, Litouwen, Polen, Malta en Cyprus. Met 8 Midden -en Oost Europese landen (=z.g. MOE-landen) heeft de EU destijds afspraken gemaakt dat vrije verkeer van werknemers vanaf 01-05-2006, maar uiterlijk 01-05-2011, zou worden gerealiseerd.
(*) V.w.b. de uitbreiding per 01 januari 2007 met 2 nieuwe landen t.w. Bulgarije en Roemenië gelden vooralsnog afwijkende regels: zie onderstaand.

Per 01-03-2007 is in Nederland het vrij verkeer van werknemers door burgers uit deze 10 nieuwe lidstaten mogelijk geworden.
Om oneerlijke concurrentie met Nederlandse werknemers en verstoring van de Nederlandse arbeidsmarkt te voorkomen, is er een pakket van maatregelen getroffen. Zo is per die datum in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) bepaald dat werknemers uit die nieuwe lidstaten gelijk loon voor gelijk werk moeten ontvangen. Om naleving van dit beleid door werkgevers te bewerkstelligen is in de WML tevens de mogelijkheid van een bestuurlijke boete opgenomen. Toezicht hierop vindt plaats door de Algemene Inspectiedienst.
Ondanks dat sedert maart 2007 het vrije verkeer van werknemers is gerealiseerd, gelden er t.a.v. de aanspraak op uitkeringen wel enige restricties en is het onderstaande van belang.
In vervolg op de uitbreiding van de EU per 01 mei 2004, is per 01-05-2006 de EU-richtlijn betreffende vrij verkeer van personen (richtlijn 2004/38/EG) in werking getreden. Volgens deze richtlijn hebben burgers van de EU en hun familieleden gedurende de eerste drie maanden een verblijfsrecht in andere EU-lidstaten (de “vrije termijn”), met als enige vereiste een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.
Hierbij geldt -voor rechtmatig verblijf in een andere lidstaat- niet meer de voorwaarde dat men beschikt over voldoende eigen bestaansmiddelen.
Deze voorwaarde gold wel vóór de inwerkingtreding van de richtlijn 2004/38/EG.
Richtlijn 2004/38/EG (=art. 24, 2e lid) biedt gastlidstaten echter de mogelijkheid om het recht op bijstand in bepaalde gevallen niet toe te kennen aan een Unieburger uit een andere EU-lidstaat en zijn familieleden die rechtmatig in de gastlidstaat verblijven.
Omdat zonder aanpassing van de WWB  de situatie dreigde te ontstaan dat een burger van een andere EU-lidstaat vanaf de aanvang van zijn verblijf in Nederland een beroep op bijstand kon doen, heeft Nederland met een beroep op art. 24 tweede lid van de richtlijn 2004/38/EG, ingaande 01-10-2006 het recht op bijstand voor Unieburgers beperkt. Immers er is – op grond van Europese regelgeving – sprake van een rechtmatig verblijf in Nederland. Deze beperking is gerealiseerd door wijziging van de artikelen 1 en 11 WWB.  

Nederland heeft van de mogelijkheid om het recht op uitkering te beperken gebruik gemaakt, door in artikel 11, tweede lid WWB aansluiting te zoeken bij de uitzonderingsgronden zoals genoemd in artikel 24 van die richtlijn.
Of een EU/EER-onderdaan rechtmatig in Nederland verblijft wordt dus niet bepaald door de Vreemdelingenwet, maar door EU/EER-regelgeving.

De positie van EU-onderdanen1 is voor wat betreft het uit de WWB voortvloeiende recht op bijstand, als volgt.

  1. Gedurende de eerste 3 maanden van verblijf bestaat géén recht op bijstand.
  2. EU-onderdanen die als werkzoekende zich naar Nederland begeven, hebben géén recht op bijstand zolang zij geen werk hebben gevonden, ook niet wanneer zij langer dan 3 maanden in Nederland hebben verbleven.
  3. EU-onderdanen, niet vallend onder de onder punt 2 genoemde categorie, en voor zover zij kunnen worden beschouwd als ingezetene van Nederland, hebben recht op bijstand op gelijke voet als in Nederland woonachtige Nederlanders.
    Op grond van artikel 8.12, lid 4 Vreemdelingenbesluit zijn EU-onderdanen die langer dan drie maanden in Nederland willen verblijven verplicht zich in te schrijven bij de IND. Hierbij geldt dat een beroep op bijstand gevolgen kan hebben voor hun verblijfsrecht. De IND oordeelt hierover aan de hand van het op grond van de Vw 2000 vastgestelde uitvoeringsbeleid. Dit houdt in dat bij een beroep op bijstand door een EU-onderdaan per geval bezien moet worden of beëindiging van het verblijfsrecht een evenredig middel is.
  4. EU-onderdanen die langer dan 5 jaren rechtmatig in Nederland hebben verbleven hebben recht op bijstand op gelijke voet als Nederlanders.
    Een beroep op bijstand kan geen gevolgen meer hebben voor het verblijfsrecht.

  1 Waar gesproken wordt over EU-onderdanen wordt daarmee gedoeld op onderdanen van de staten die partij zijn bij het EG- en EU-verdrag, de EER-overeenkomst
en de Overeenkomst EG-Zwitserland, alsmede hun familieleden in de zin van artikel 2 van Richtlijn 2004/38/EG.

De EU/EER-onderdaan kan aldus in de eerste drie maanden van zijn verblijf en evenzo indien de zoekperiode is verlengd geen beroep op bijstand doen.
Op die wijze wordt gehoopt bijstandstoerisme te voorkomen. Enige uitzondering hierop wordt gemaakt voor de werknemers/zelfstandigen, die met hun werkzaamheden een inkomen verwerven onder bijstandsniveau. Zij hebben ook in de eerste drie maanden recht op aanvullende bijstand. Een en ander heeft zijn regeling gevonden in een los van de huidige richtlijn 2004/38/EG opgestelde verordening (art. 7, tweede lid Verordening 1612/68).
In het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, WIJ, IOAW, IOAZ, Wmo en WWIK is een verwijzing naar laatstgenoemde verordening opgenomen, waardoor deze groep alsnog voor gelijkstelling met een Nederlander in het kader van bijstandsverlening in aanmerking komt.
In alle andere gevallen kan slechts bijstand worden geweigerd indien de EU/EER-onderdaan niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijf houdt.

Of een EU/EER-onderdaan rechtmatig in Nederland verblijft wordt dus niet bepaald door de Vreemdelingenwet, maar door EU/EER-regelgeving.
De grondslag voor het rechtmatige verblijf vloeit rechtstreeks uit deze regelgeving voort. Er is dan ook geen voorafgaand besluit van de IND voor nodig.
Wordt toch een besluit van dien aard afgegeven – bijvoorbeeld in verband met een aanvraag van een EU/EER-document – dan heeft dit sec een recht vaststellend en niet – zoals bij het overgrote merendeel van de vreemdelingen – een recht scheppend karakter. Dit betekent dus ook dat een EU/EER-onderdaan, ook zonder EU/EER-document rechtmatig in Nederland kan verblijven.
M.a.w., meldt een onderdaan van een van de lidstaten zich met een nationaal paspoort voor een bijstandsaanvraag dan is het aan de gemeente zelf om vast te stellen of sprake is van rechtmatig verblijf op basis van het EU-verdrag.

Om voor uitkering WWB-Ioaw-Ioaz-WWiK in aanmerking te kunnen komen dient de aanvrager aan onderstaande twee voorwaarden te voldoen:
1. hij/zij dient een met een Nederlander gelijk te stellen EU-onderdaan te zijn ex. artikel 11, tweede lid WWB en
2. hij/zij dient rechtmatig in Nederland te verblijven op basis van de Richtlijn 2004/38/EG.

Het feit dat de gemeente deze toets moet uitvoeren wordt bevestigd in de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda
d.d. 21-08-2007 (procedurenr. 07/3132 WWB VV). Ook Stimulansz heeft de gemeente in deze zin geadviseerd te handelen.

Gelet op het bepaalde in art. 14, 4e lid onder b van Richtlijn 2004/38/EG is het wel van belang dat de gemeente goed onderzoekt of de uitkeringsverzoeker of diens eventuele partner is aan te merken als werknemer of als zelfstandige. Opgemerkt wordt dat men daartoe niet meer werkende behoeft te zijn.
Is dit het geval dan kan er recht op uitkering bestaan mits betrokkene ook aan de voorwaarde "1" voldoet.
Is dit niet het geval dan is er in beginsel géén verblijfsrecht op basis van de richtlijn en daardoor ook géén recht op bijstand.

Toelichting begrip werknemer of zelfstandige:
De door het Hof van Justitie gegeven definitie komt, verkort weergevend, neer op:
1. de persoon die d.m.v. werkzaamheden op de legale arbeidsmarkt meer dan 50% van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm
aan inkomen verwerft; en
2. de persoon die meer dan 16 uur per week op de legale arbeidsmarkt werkzaam is.

Daarnaast bepaalt richtlijn 2004/38/EG zelf dat de status werknemer/zelfstandige ook behouden blijft indien:
1. de EU-burger die als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt is;
2. de EU-burger die na ten minste 1 jaar gewerkt te hebben onvrijwillig werkloos is en zich als werkzoekende heeft ingeschreven;
3. de EU-burger die na een dienstverband van minder dan 1 jaar onvrijwillig werkloos is geworden en zich als werkzoekende heeft ingeschreven.
   In dit geval wordt hij nog 6 maanden als werknemer/zelfstandige aangemerkt; en
4. de EU-burger die een beroepsopleiding start, met de extra voorwaarde zo geen sprake is van onvrijwillige werkloosheid, dat deze opleiding
   in verband staat met zijn voorafgaande beroepsactiviteiten.

Als een EU/EER-onderdaan kan worden aangemerkt als werknemer of zelfstandige, zorgt dit er dus voor dat hij in hogere mate gelijk gesteld kan worden met een Nederlander. Er kunnen zoals vermeld in geen geval verwijderingmaatregelen worden genomen tegen personen die onder de definitie van werknemer of zelfstandige vallen, behalve om redenen van openbare orde of openbare veiligheid. Dat houdt onder meer ook in dat het eventuele beroep op bijstand van een EU/EER-onderdaan die onder het begrip werknemer of zelfstandige valt, geen gevolgen kan hebben voor zijn verblijfsrecht.

Beëindiging verblijfsrecht in Nederland voor EU-onderdanen
Bij een beëindiging van het recht op uitkering dient er wel een specifiek besluit van de IND t.a.v. de betrokkene te zijn genomen.
In de richtlijn worden een aantal gronden genoemd op basis waarvan de IND kan besluiten het verblijfsrecht te beëindigen dan wel een verwijderingmaatregel te treffen. Meer specifiek zijn deze gelegen in:
a. redenen van openbare orde, openbare veiligheid dan wel volksgezondheid;
b. het feit dat betrokkene een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel;
c. het feit dat het familielid niet EU-onderdaan door vertrek dan wel overlijden van de EU-onderdaan het van deze EU-onderdaan afgeleide
 verblijfsrecht verliest of
d. het feit dat het familielid door echtscheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk (lees ook: beëindiging van het geregistreerde
 partnerschap) zijn afgeleide verblijfsrecht verliest

Voor bijstandsverlening is met name de onder b genoemde beëindigingsgrond van belang. Het is daarbij niet aan de gemeente om te bepalen of betrokkene een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel is, maar aan de IND. De gemeente zal daarom daar waar deze beëindiginggrond kan spelen, een melding van het feit dat een beroep op bijstand wordt gedaan aan de IND moeten doen. Zie paragraaf 2.2.

(*) Gevolgen EU-recht voor burgers van Bulgarije en Roemenië


Nederland heeft er samen met een aantal andere EU-landen voor gekozen om ingaande 01 januari 2007 gedurende een bepaalde overgangstermijn (=minimaal 2 jaar) geen vrij verkeer van werknemers toe te staan. Verwezen wordt in deze naar de brief van Staatssecretaris van SZW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 28-11-2006, kenmerk: AM/AMI/06/95062.
D.d. 19 maart 2010 heeft het Min. van SZW (helpdesk: mevr. P. Jager) de gemeente laten weten dat voor Bulgaarse en Roemeense werknemers dit overgangsregime in elk geval nog duurt tot 1 januari 2012 en dat het daarna mogelijk nog eenmaal wordt verlengd tot 1 januari 2014. Het kabinet neemt daar eind 2011 een beslissing over.
De beperking van het vrij verkeer van werknemers houdt in dat Nederland bij de tewerkstelling van deze nieuwe EU-onderdanen gedurende de overgangstermijn nog de vereiste kan stellen dat werkgevers die mensen uit Bulgarije en Roemenië in dienst willen moeten beschikken over een tewerkstellingsvergunning. Omdat aan een tewerkstellingsvergunning extra voorwaarden kunnen worden verbonden, zullen Roemenen en Bulgaren daardoor minder snel rechtmatig als werknemer of als zelfstandige in Nederland kunnen verblijven.
Op die wijze kan Nederland de instroom van Roemeense -en Bulgaarse werknemers in bepaalde mate reguleren.
Gelet op de hiervoor vermelde verlenging van de overgangstermijn geldt voor werkgevers dus tot 01 januari 2010 nog steeds de eis van deze tewerkstellingsvergunning.

Aandachtspunt:
Opgemerkt wordt dat de hiervoor beschreven beperking van het vrij verkeer van werknemers niet gelijkgesteld mag worden als een absolute blokkade van het recht op bijstand van Bulgaren en Roemenen. Aanvragen om uitkering van Bulgaren en Roemenen dienen getoetst te worden aan het bepaalde in art. 11, 2e lid van de WWB en dan met name of de uitzonderingsbepaling als bedoeld in art. 24, 2e lid van Richtlijn 2004/38/EG van toepassing is.

Art. 24, 2e lid van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29-04-2004  bepaalt  dat het gastland niet verplicht is een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in art. 14, lid 4 onder b bedoelde langere periode.
Art. 14, 4e lid onder b van Richtlijn 2004/38/EG bepaalt, onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VI, dat geen verwijderingsmaatregel t.a.v. burgers van de Unie of hun familieleden kan worden genomen die het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken, zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld.

Iemand verblijft rechtmatig in Nederland op basis van de EU-richtlijn indien:
a) hij/zij in het gastland werknemer of zelfstandige is,
b) hij/zij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste
   komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of
c) hij/zij hier onder bepaalde voorwaarden als student in Nederland verblijft;
d) hij/zij een familielid is van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden onder a), b) of c) en hij/zij deze burger begeleidt of zich
   bij hem voegt.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Jurisprudentie:

LJN: AY3868, Centrale Raad van Beroep , 04/5832 NABW + 04/5833 NABW:
Bij de beoordeling van het recht op bijstand van personen met de status van EU-onderdaan kan niet worden volstaan met een verwijzing naar door de vreemdelingendienst afgegeven verblijfscodes Het bestuursorgaan dient zelfstandig na te gaan of de betrokkene bijvoorbeeld behoort tot de kring van “economisch actieven”. Incasu had eiser de Spaanse nationaliteit en diens echtgenote de Marokkaanse Nationaliteit) en zij hadden 5 kinderen, waarvan 4 minderjarig. Afgaande op de GBA code (=code 98) heeft de gemeente de eerder toegekende Abw-uitkering beëindigd per 19-08-2003.
De Raad stelt voorop dat, naar vaste rechtspraak, de rechtmatigheid van het verblijf van een EU-onderdaan rechtstreeks voortvloeit uit het gemeenschapsrecht zoals dat is neergelegd in het EG-verdrag en de daaruit voortvloeiende richtlijnen en verordeningen (zie onder meer de uitspraak van 21 december 2004, LJN AS2100). De onderdaan van een lidstaat, die op het grondgebied van een andere lidstaat economisch actief is (geweest), kan de status hebben van een “begunstigde EG-onderdaan.”
Dit betekent dat het bestuursorgaan bij de beoordeling van het recht op bijstand van personen met de status van EU-onderdaan niet kan volstaan met een verwijzing naar door de vreemdelingendienst afgegeven verblijfscodes, maar dat het zelfstandig dient na te gaan of de belanghebbende bijvoorbeeld behoort tot de kring van “economisch actieven”. Daaronder worden blijkens de gedingstukken begrepen personen die gedurende ten minste 40% van de volledige, in de branche gebruikelijke, arbeidstijd werkzaam zijn of ten tijde van de aanvraag om bijstand ten minste 50% van de toepasselijke bijstandsnorm verdienen. Indien dat het geval is heeft de betrokkene aanspraak op aanvullende bijstand (indien ook overigens aan de voorwaarden voor het recht op bijstand is voldaan). Voorts dient door het bestuursorgaan melding plaats te vinden aan de vreemdelingendienst die vervolgens beoordeelt of sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid en of, en in hoeverre, dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht.
De Raad stelt vast dat het College zich in het onderhavige geval slechts beperkt heeft tot verificatie van de GBA-code waarmee appellanten stonden geregistreerd bij de vreemdelingendienst. Daarmee had het College onder de gegeven omstandigheden, gelet op de status van EU-onderdaan van appellant, niet mogen volstaan, temeer nu uit de gedingstukken naar voren komt dat appellant sedert 2 juli 2003 voor 25 uur per week werkzaam is geweest en in ieder geval vanaf 9 februari 2004 beschikte over een zogeheten verblijfsaantekening voor gemeenschapsonderdanen. Dit betekent dat het besluit van 18 maart 2004 niet voldoet aan de eisen die daaraan uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding moeten worden gesteld. Het College wordt opdragen een nieuw besluit te nemen op bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Noot:
eenzelfde lijn volgt de CRvB in haar uitspraak d.d. 22 januari 2008, 06/5437 WWB, LJN: BC 3798 waarbij ook getoetst wordt of de
        gemeente is blind gevaren op de GBA -codes dan wel enig zelfstandig onderzoek heeft uitgevoerd.